Wenspot

Soms is de klacht van een kind te groot om over te kunnen praten. Zo had ik Josje in mijn praktijk. Josje was aangemeld door haar ouders vanwege het feit dat ze slecht luisterde en plotseling heel driftig kon reageren wanneer ze thuis iets niet mocht. Josje was een meisje van 5 jaar dat elke keer vrolijk binnenkwam en onmiddellijk naar de kast liep om Mens-erger-je-niet te pakken. Een spel dat ze eindeloos kon spelen. Heel soms wisselden we het af met Ganzenbord of Vier-op-een-rij, maar al snel keerden we terug naar Mens-erger-je-niet. Sessie na sessie ging dit zo. Tijdens het spelen liet ik haar bewust de leiding nemen en hield ik me van tijd tot tijd van de domme (door bijvoorbeeld te vergeten dat ik aan de beurt was, of door maar twee stappen te zetten als ik er zes mocht). Josje moest me dan corrigeren of helpen en kreeg daardoor de positie van ‘slimme leider’ waar ze zichtbaar van genoot. Op deze manier werd haar Ik-sterkte vergroot en voelde ze zich langzaamaan zelfverzekerder en trots op zichzelf. Maar het ging inderdaad opvallend langzaam en ik merkte al in het eerste gesprek dat Josje niet graag over zichzelf praatte. Als ik een vraag stelde, deed ze het meestal af met “zullen we maar weer verder spelen?” en ze beweerde altijd dat het goed met haar ging. Het gedrag thuis wees echter in toenemende mate iets anders uit.

Toen Josje voor de vierde keer bij mij zou komen en ik de sessie aan het voorbereiden was, merkte ik dat ik in mezelf verzuchtte ‘dat wordt waarschijnlijk weer Mens-erger-je-niet’. En ik brak mijn hoofd er bijna over wat ik nou toch kon doen om met haar te werken aan haar klacht. Want wat die klacht was, was me nog altijd niet duidelijk.

De klacht van de ouders is meestal heel helder. Maar in de integratieve kindertherapie wordt gewerkt met de klacht van het kind. Het niet luisteren en heftig reageren is het signaal dat een kind een klacht heeft. En dit kind wilde het daar echt niet over hebben. Hoe nu verder? Ik besloot, ietwat gelaten, maar weer te bekijken wat er zou gebeuren en te hopen dat Josje zelf met iets zou komen.

Toen ging de bel. En op dat moment kreeg ik een ingeving. Ik pakte de enorme pot met pennen die ik altijd op mijn bureau heb staan, en gooide de hele pot leeg in een lade van mijn bureau. Snel zette ik de pot in het midden van de kamer. Op dat moment had ik werkelijk nog geen idee wat ik ermee zou gaan doen.

Josje kwam boven en liep de praktijkruimte in. En terwijl ik haar blik naar de pot zag gaan, wist ik hoe ik de pot ging inzetten voor haar proces. Daadkrachtig zei ik: “Zo! Weer lekker potje Mens-erger-je-niet?” Maar haar blik bleef naar de pot gaan.

“Pak jij het spel even”, zei ik. Alsof ik me totaal niet bewust was van haar blikken en van die pot daar midden in de kamer.

Ze keek opnieuw naar de pot en vroeg voorzichtig: “Wat is dat voor pot?”

“O, is een wenspot.” Zei ik zo nonchalant als ik maar kon. “Pak jij het Mens-erger-je-niet?”

Josje keek van de pot naar mij en vroeg “Een wenspot? Wat is dat dan?”

“Oh das een pot die wensen uit kan laten komen. Maar das een heel gedoe hoor. Kom! Pak het spel!”

Wat ik deed was haar uitlokken tot het spel over te gaan, en wanneer ze stand hield om de pot te ontdekken, wist ik zeker dat ze deze interventie wilde verkennen. Onbewust voelt een kind aan wanneer er hulp is en waar deze zit. Zelfs als een kind een klacht heeft dat te groot is om met een volwassene over te kunnen praten: het kind wil altijd de klacht oplossen en kiest zelf via welke weg.

Door aan te dringen op het gebruikelijke spel te spelen, wilde ik haar stimuleren om bewust te kiezen. Zou dat te makkelijk gaan, dan zou de mate waarin zij deze interventie als hulpbron serieus nam heel beperkt zijn.

Josje kwam niet in beweging, dit keer liep ze niet naar de kast, ondanks mijn aandringen. Ze vroeg hoe dat dan werkt een wenspot. Ik vertelde haar dat je drie wensen mag doen in deze wenspot en dat ik er dan 1 uit zou trekken en dat ik van de wenspot haar dan allemaal vragen moet stellen over die wens. Als een soort detective. Dat moet ik van die wenspot, zodat de wenspot genoeg weet om de wens uit te laten komen.

Door de wenspot als het ware ‘de baas’ te laten zijn, verkleinde ik de positie van mezelf als volwassene. Ik was nu slechts een pion in de samenwerking tussen Josje en de wenspot.

Opnieuw zei ik “Nou en NU lekker Mens-erger-je- niet!”

Opnieuw bleef Josje staan en keek me aan.

Waarop ik vroeg: “Oooow wacht…WIL je iets met die wenspot?”

“Ja.” Zei ze zacht.

“Oh! Joh! Heb jij wensen dan?”

“Ja-aah!” zei ze overtuigend.

“Oh, ja maar natuurlijk! Dan is die wenspot helemaal geschikt voor jou! Joh ik dacht dat je kwam om dat spel weer te spelen. Maar je hebt gewoon wensen!”

“Ja!” zei ze nu echt enthousiast.

En dus gingen we aan de slag. Ik schreef voor Josje de wensen op (schrijven kon ze nog niet). Ik was vanzelfsprekend heel benieuwd met welke wensen we aan de slag zouden gaan. Eindelijk zou ik meer begrijpen van de signalen die ze thuis gaf.

De eerste wens? Meer Barbies hebben dan haar zusje.Wenspot V

O.

De tweede wens? Een nieuwe trouwjurk voor haar Barbie.

Juist.

Ik begon een beetje de moed te verliezen…wat kon ik hier nou mee doen dadelijk?

En toen kwam de derde wens. Starend in de wenspot zei Josje: “Dat mama liever voor me is.”

Bingo. Na al die spelletjes Mens-erger-je-niet en het niet willen praten kwam ze in drie stappen (wensen!) tot de kern. Die sessie hebben we verder gewijd aan het onderzoeken van haar klacht. Niet geheel vrij van sturing heb ik de juiste wens uit de pot getrokken. Daarna kreeg ik eindelijk toegang tot de belevingswereld van Josje en mocht ik haar alle vragen stellen die ik maar wilde. Met wat ze me vertelde kon ik vanzelfsprekend met ouders in gesprek en hen vertellen wat ze nodig had.

Een aantal sessies later bleek dat Josje heel onzeker was op school en daarover heel graag met haar moeder wilde praten. Mama was echter dusdanig streng en door stress geregeld kort af en afgeleid, waardoor Josje het niet met haar moeder durfde te bespreken. Josje maakte haar probleem vervolgens kenbaar door niet te luisteren (dat deed mama tenslotte ook vaak niet) en door heftig van zich te laten horen. Haar echte behoefte was gehoord worden in haar twijfel over hoe om te gaan met vriendjes en vriendinnetjes op school.

Toen ik ouders dit kon meegeven, en moeder zich bewust werd van wat ze onbedoeld voor effect had op haar dochter, konden ouders thuis de aandacht veranderen. Josjes gedrag thuis veranderde onmiddellijk. Niet veel later konden de ouders Josje zelf verder helpen in haar onzekerheid op school.

 

Share: